Ik voor u…

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan (Johannes 18: 8b)

Na de viering van het laatste Pascha en de inzetting van het Heilig Avondmaal is Jezus met Zijn jongeren naar de hof van Gethsemané gegaan. Daar heeft Sions Borg en Koning gekropen als een worm, en geen man, in het stof van de aarde. Daar is die zware gebedsstrijd geweest terwijl Zijn discipelen sliepen. En nu komt, door de stilte van de nacht, de bende krijgsknechten, aangevuld met dienaars van de overpriesters en farizeeën, om Jezus gevangen te nemen.
Ontroerend hoe de Borg naar voren komt: ‘Wien zoekt gij?’. Wie ze zoeken, weten ze wel. Het gaat om Jezus de Nazaréner. Drie jaar lang heeft Hij door het land getrokken. Overal waar zieken tot Hem gebracht werden, heeft Hij wonderen verricht. Scharen mensen heeft Hij van voedsel voorzien. En al zou iemand nog nooit van Hem gehoord hebben, sinds enkele dagen kan er in Jeruzalem niemand meer zijn die niet weet Wie Hij is. Met gejuich is Hij binnengehaald: Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren. En nu zullen ze de Zaligmaker, Die nooit zonde gekend of gedaan heeft, onder leiding van Judas gevangen nemen. Vrijwillig treedt de tweede Adam naar voren: ’Ik ben het’. Wat een verschil met de eerste Adam! Dat was óók in een hof. Maar terwijl de eerste Adam zich verborg, verbergt de tweede Adam Zich niet. Even laat Hij Zijn belagers voelen dat ze in eigen kracht niets kunnen: allen vallen achterover op de grond.

Dan klinkt het opnieuw van Zijn lippen: ‘Wien zoekt gij?’. En als ze weer vragen naar Jezus de Nazarener, geeft Jezus dit antwoord: ‘Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan’. Wellicht heeft de Borg gewezen op die elf mannen, Zijn discipelen, die dichtbij hem stonden. Het is geen smeekbede, maar een bevel.
Wat een liefde en zorg blijkt uit deze woorden. Jezus denkt in deze bange ogenblikken aan hun behoud, hun vrijheid. Zojuist lagen ze te slapen en straks zullen ze allemaal vluchten. Voor zulke mensen eist Hij een vrije aftocht. Maar Hij vraagt méér dan een vrijgeleide voor dit moment. Hier staat de goede Herder, Die Zijn leven stelt voor de schapen. Hij wordt gebonden, opdat Hij de Zijnen zou ontbinden. Hartelijke liefde en trouw, zo schrijft ons Avondmaalsformulier: ‘dat Ik voor u (daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven) Mijn lichaam aan het hout des kruises in de dood geve, en Mijn bloed vergiete’.

Jongeren, zonder bekering zijn we gebonden, met de banden van de dood. En niemand heeft er erg in, niemand heeft er last van. We denken zo vrij te zijn als een vogel in de lucht. Of zijn je ogen opengegaan? Voel je de banden knellen? Ben je zo’n wenende zondaar of zondares geworden die de dood voor ogen ziet? De tijdelijke, de geestelijke en de eeuwige dood? Bid om dat wonder: Hem, Die machtig is te verlossen, te mogen zien van ver of meer dichtbij. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. En als de Heere iets deed zien van de ruimte in Hem om zalig te worden, dat je dit mocht horen in deze lijdensweken: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
De dichter van Psalm 116 spreekt ervan: De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ook: Gij hebt mijn banden losgemaakt. En dat wonderlijke geheim ligt in het Borgwerk van de Middelaar, juist in de nacht waarin Hij verraden werd…Ik voor u! Ook voor jou?

Ds. B. Labee

Dit artikel verscheen eerder in Daniël

Thema

Dit artikel valt onder een van onze basis thema's:

Lees meer: